Haus – Het woord betekent “huis” in het Duits en verwijst naar de woonplaats waar mensen leven.
Mein neues Haus ist sehr groß.
Wohnzimmer – Dit woord wordt gebruikt om de “woonkamer” aan te duiden, een gemeenschappelijke ruimte in het huis waar mensen samen komen om te ontspannen.
Im Wohnzimmer haben wir ein gemütliches Sofa.
Küche – De “keuken” is de plek in het huis waar het eten wordt bereid.
Die Küche ist das Herz des Hauses.
Schlafzimmer – Dit betekent “slaapkamer” en is de ruimte waar mensen slapen.
Das Schlafzimmer ist sehr ruhig und entspannend.
Badezimmer – De “badkamer” is waar de sanitaire voorzieningen zoals de douche en het toilet zich bevinden.
Das Badezimmer muss renoviert werden.
Flur – Een “hal” in een huis of gebouw, die verschillende kamers met elkaar verbindt.
Der Flur ist schmal aber lang.
Keller – De “kelder” is een ondergrondse ruimte die vaak gebruikt wordt voor opslag.
Im Keller lagern wir unsere Weinvorräte.
Dachboden – De “zolder” is een ruimte onder het dak die vaak gebruikt wordt voor opslag of soms als extra kamer.
Auf dem Dachboden ist es staubig, aber es gibt viel Platz.
Garten – Dit betekent “tuin” en is de buitenruimte bij een huis waar planten en bloemen groeien.
Der Garten ist im Sommer sehr schön.
Balkon – Een “balkon” is een platform aan de buitenkant van een gebouw, omheind door een reling.
Vom Balkon aus hat man eine schöne Aussicht.
Möbel – “Meubels” verwijzen naar beweegbare objecten die een ruimte functioneel en comfortabel maken.
Die Möbel im Wohnzimmer sind modern und stilvoll.
Sofa – Een “sofa” is een comfortabel zitmeubel dat meestal in de woonkamer staat.
Das Sofa ist weich und lädt zum Entspannen ein.
Bett – Een “bed” is een meubelstuk waarop men slaapt.
Das Bett ist groß genug für zwei Personen.
Tisch – Een “tafel” wordt gebruikt om aan te eten of om aan te werken.
Am Tisch sitzt die ganze Familie zusammen.
Stuhl – Een “stoel” is een zitmeubel met een rugleuning.
Der Stuhl ist aus Holz gefertigt und sehr stabil.
Schrank – Een “kast” wordt gebruikt om kleding, boeken of andere huishoudelijke artikelen in op te bergen.
Im Schrank sind alle Handtücher sauber gefaltet.
Lampe – Een “lamp” is een apparaat dat licht geeft.
Die Lampe auf dem Schreibtisch ist sehr hell.
Fenster – Een “venster” is een opening in een muur die licht en lucht doorlaat en vaak voorzien is van glas.
Das Fenster im Wohnzimmer gibt den Blick auf den Garten frei.
Tür – Een “deur” is een beweegbaar object dat de toegang tot een kamer of gebouw opent of sluit.
Die Tür zum Büro ist immer offen.
Leben – Dit betekent “leven”, verwijzend naar de ervaring of het bestaan.
Das Leben kann manchmal sehr herausfordernd sein.
Alltag – “Dagelijks leven” of “alledaags”, verwijst naar de normale dagelijkse routine.
Der Alltag beginnt mit einer Tasse Kaffee.
Entspannung – “Ontspanning” is het proces van rusten en relaxen om stress te verminderen.
Entspannung ist wichtig für die Gesundheit.
Freizeit – “Vrije tijd” is de tijd die men niet besteedt aan werk of verplichtingen.
In meiner Freizeit lese ich gerne Bücher.




